Oordeel in de zaak van
....
wonende te ...., verzoeker
tegen
SNS Bank N.V.
gevestigd te Utrecht, verweerster
1 Procesverloop
1.1 Bij verzoekschrift van 24 december 2010 dat op 27 december 2010 is ontvangen heeft verzoeker de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, gevraagd te onderzoeken of verweerster jegens hem onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt bij de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst.
1.2 Daarna zijn de volgende stukken gewisseld:
e-mail verzoeker 30 december 2010;
e-mail verzoeker 27 januari 2011;
e-mail verzoeker 28 maart 2011;
stukken verzoeker 29 maart 2011;
brief verweerster 13 mei 2011.
1.3 De Commissie heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2011, waar verzoeker, bijgestaan door .... is verschenen. Verweerster is, hoewel op de bij wet voorgeschreven wijze opgeroepen, niet verschenen.
2 Feiten
2.1 Verzoeker is lid van de Nederlandse Volksunie (NVU) en van Voorpost. De NVU is een politieke partij. Voorpost is een organisatie die blijkens haar statuten de belangen behartigt ‘van al wie kan worden beschouwd als te behoren tot de Nederlandse etnische gemeenschap’.
2.2 Verzoeker is werkzaam als hypotheekadviseur. Sinds 2005 heeft hij een eenmanszaak. Voorheen handelde verzoeker onder de naam ...., ten tijde van de behandeling van het verzoek handelt hij onder een andere naam. Daarnaast is verzoeker werkzaam op freelance basis voor verschillende hypotheekverstrekkers.
2.3 Verweerster is een bank. Onderdeel van de activiteiten van verweerster is het afsluiten van hypotheekovereenkomsten, eventueel door tussenkomst van een zelfstandige hypotheekadviseur, zoals verzoeker. Verweerster maakt gebruik van de diensten van deze intermediairs en sluit met hen samenwerkingsovereenkomsten. Verweerster heeft op 7 februari 2006 een dergelijke samenwerkingsovereenkomst gesloten met verzoeker. Zijn accountmanager bij verweerster is ..... Sinds 2007 heeft verzoeker geen hypotheken meer aangebracht bij verweerster.
2.4 Op basis van deze overeenkomsten heeft de bemiddelaar recht op betaling van provisie voor hypothecaire financieringen die tijdens de looptijd van de overeenkomst door zijn tussenkomst tot stand zijn gekomen bij verweerster.
2.5 Artikel 10, eerste lid van de samenwerkingsovereenkomst tussen verzoeker en verweerster luidt:
“De Bemiddelaar is niet verplicht voor de Bank te bemiddelen.”
2.6 In de samenwerkingsovereenkomst is verder in artikel 13, vijfde lid de volgende bepaling opgenomen:
“De bemiddelingsovereenkomst kan door de Bank met onmiddellijke ingang en zonder rechterlijke tussenkomst worden beëindigd indien één van de volgende gevallen zich voordoet: (…)
5. de publieke uitingen van de Bemiddelaar stroken niet met het (gewenste) imago van de Bank;”
2.7 Verweerster hanteert een zogenoemd Customer Due Dilligence (CDD) beleid. Onderdeel hiervan is het “Integriteitbeleid Klant”. Dit beleid van verweerster is niet openbaar en zij verstrekt dit slechts aan de financiële toezichthouders Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB).
2.8 Verweerster heeft bij brief van 20 mei 2010 verzoeker medegedeeld dat zij de samenwerkingsovereenkomst beëindigt per 20 juni 2010. Verweerster geeft hierin als reden op dat na evaluatie van de samenwerking is gebleken dat de verwachtingen van de samenwerking niet zijn uitgekomen.
2.9 Bij brief van 21 mei 2010 deelt verweerster verzoeker nogmaals mee dat zij de samenwerkingsovereenkomst wil beëindigen en wel per 21 juni 2010. In deze brief geeft verweerster tevens aan dat verzoeker alle informatie, verwijzingen en links naar verweerster van zijn website moet verwijderen.
3 Beoordeling van het verzoek
3.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerster verboden onderscheid maakt op grond van politieke gezindheid bij de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst met verzoeker.
Bevoegdheid
3.2 In artikel 6 van de Algemene Wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 AWGB, is bepaald dat onderscheid op grond van politieke gezindheid is verboden met betrekking tot de voorwaarden voor en de toegang tot het vrije beroep en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep.
3.3 De Commissie heeft eerder geoordeeld dat door de weigering van een zorgverzekeraar om een zorgovereenkomst aan te gaan met een huisarts, er sprake is van beperkingen in het verwerven van inkomsten en daarmee in de mogelijkheden tot uitoefening van het vrije beroep (CGB 25 maart 2005, 2005-49, r.o. 5.3 en 5.4; CGB 25 maart 2005, 2005-50, r.o. 5.3 en CGB 21 juli 2005, 2005-135, r.o. 5.4). Verzoeker verricht werkzaamheden als vrijgevestigd hypotheekadviseur en oefent als zodanig een vrij beroep uit in de zin van artikel 6 AWGB. Dat het in deze zaak gaat om de grond politieke gezindheid, maakt het voor de beoordeling niet anders. Verzoeker is voor het afsluiten van hypothecaire financieringen afhankelijk van samenwerkingsovereenkomsten met financiële instellingen zoals verweerster. Zonder deze samenwerkingsovereenkomsten wordt verzoeker beperkt in het verwerven van inkomsten en daarmee in de mogelijkheden tot uitoefening van het vrije beroep. Dit betekent dat het verzoek kan worden getoetst aan artikel 6 AWGB.
Onderscheid
3.4 Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet onder meer ziet op onderscheid tussen personen op grond van politieke gezindheid. Het artikel stelt tevens dat onder onderscheid zowel direct als indirect onderscheid begrepen wordt. Onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid dat rechtstreeks verwijst naar politieke gezindheid. Indirect onderscheid is onderscheid op grond van een neutraal criterium, voorschrift of handelen dat personen bijzonder treft in verband met een of meer in de AWGB genoemde gronden.
3.5 Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie is van onderscheid niet alleen sprake als een van de in de gelijkebehandelingswetgeving genoemde gronden de enige of doorslaggevende reden vormt voor het bestreden handelen, maar ook als deze daarbij mede een rol speelt.
3.6 Met betrekking tot de bewijslastverdeling tussen partijen geldt ingevolge artikel 10 AWGB dat de verzoekende partij in rechte feiten dient aan te voeren die het gestelde onderscheid kunnen doen vermoeden. Indien de verzoekende partij hierin slaagt, is het aan de verwerende partij om te bewijzen dat niet in strijd met de wetgeving gelijke behandeling is gehandeld. Derhalve zal eerst worden onderzocht of feiten zijn komen vast te staan die onderscheid op grond van politieke gezindheid bij de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst kunnen doen vermoeden.
3.7 Verzoeker stelt dat verweerster de samenwerkingsovereenkomst heeft beëindigd vanwege zijn politieke gezindheid. Hij voert hiertoe aan dat verweerster in haar brief van 21 mei 2010 (zie 2.9) zegt dat zij de samenwerkingsovereenkomst ‘om haar moverende redenen’ beëindigt. Als dit commerciële redenen waren geweest, had verweerster de samenwerkingsovereenkomst al veel eerder moeten beëindigen, aldus verzoeker. Hij bracht immers al ruim drie jaar geen hypotheken meer aan bij verweerster. Daarom moet de politieke gezindheid van verzoeker wel de reden voor de beëindiging zijn geweest.
3.8 Verweerster stelt in haar brief van 13 mei 2011 (zie 1.2) dat zij de samenwerkings-overeenkomst om twee redenen heeft beëindigd. Ten eerste heeft zij deze beëindigd om commerciële redenen: verzoeker bracht al lange tijd geen hypotheken aan bij verweerster. Ten tweede heeft verweerster de samenwerkingsovereenkomst beëindigd op basis van haar CDD beleid (zie 2.7). Dit beleid moet er voor zorgen dat de financiële instelling niet misbruikt wordt voor de verkeerde doeleinden. Op grond van wet- en regelgeving moet verweerster als financiële instelling haar cliënten kennen en mag zij geen relaties aangaan met personen die het vertrouwen in haar kunnen schaden. Verweerster heeft de verplichting om de integriteit van een klant te onderzoeken. In het “Integriteitbeleid Klant” zijn naast algemene uitgangspunten ook richtlijnen opgenomen met betrekking tot witwassen en financiering van terrorisme.
3.9 Naar de mening van verweerster voldoet verzoeker niet aan de eisen die zij op grond van haar CDD-beleid aan haar samenwerkingspartners stelt. Uit onderzoek is gebleken dat verzoeker zich met rechts-extremistische activiteiten bezighoudt. Verweerster heeft daartoe een mediasearch uitgevoerd. Daarnaast heeft zij diverse, niet nader gespecificeerde “interne en externe bronnen” geraadpleegd.
3.10 De Commissie stelt vast dat verweerster in haar processtukken niet nader is ingegaan op de wet- en regelgeving waarop zij zich beroept en op grond waarvan de rechts-extremistische activiteiten van verzoeker niet te verenigen zijn met haar integriteitbeleid. Tevens is verweerster, alhoewel daartoe op de voorgeschreven wijze opgeroepen niet verschenen op de zitting. De Commissie heeft daardoor verweerster daarover niet kunnen bevragen. De processuele gevolgen van het niet verschijnen komen voor rekening van verweerster.
3.11 Gelet op deze omstandigheden moet verweersters verwijzing naar de rechts-extremistische activiteiten van verzoeker als een van de redenen om de samenwerkingsovereenkomst te beëindigen worden beschouwd. Dit is een feit dat kan doen vermoeden dat verweerster jegens verzoeker onderscheid heeft gemaakt op grond van politieke gezindheid bij die beëindiging. Het is derhalve aan verweerster om te bewijzen dat zij niet in strijd met de AWGB heeft gehandeld.
3.12 De Commissie stelt vast dat verweerster niet heeft weersproken dat zij jegens verzoeker onderscheid heeft gemaakt op grond van diens politieke gezindheid. Daarmee staat vast dat verweerster het genoemde onderscheid heeft gemaakt. Gelet op de rechtstreekse verwijzing naar het rechts-extremistische karakter van de activiteiten van verzoeker, oordeelt de Commissie dat er sprake is van direct onderscheid.
3.13 Direct onderscheid op grond van politieke gezindheid is verboden, tenzij er een wettelijke uitzondering op het verbod van toepassing is. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke uitzondering van toepassing is.
4 Oordeel
De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat SNS Bank N.V. jegens .... verboden onderscheid op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt bij de mogelijkheden tot uitoefening van het vrije beroep.
Aldus gegeven te Utrecht op 24 oktober 2011 door mr. E.J.M. Hofhuis, voorzitter,
mr. D. Ghidei en mr. D.C. Houtzager, leden van de Commissie Gelijke Behandeling, in tegenwoordigheid van mr. B. Bos, secretaris.
mr. E.J.M. Hofhuis mr. B. Bos