Samenvatting
Een werkneemster bij een recreatiepark lijdt aan een heupaandoening. Zij werkt een paar uur per week naast haar studie. In de loop der tijd krijgt zij steeds meer last van haar aandoening. Ze doet het verzoek aan haar werkgever tot een aanpassing te komen door haar toe te staan in een rolstoel te werken. De werkgever stelt voor dat zij krukken gaat gebruiken, wat gebeurt. De werkgever doet tevens nader onderzoek, maar overlegt niet met de vrouw. Op grond van zijn eigen denkbeelden gaat hij ervanuit dat ingrijpende aanpassingen van de werkplek moeten worden verricht in verband met het gebruik van een rolstoel die het bedrijf te zwaar belasten. Hij koppelt dit niet terug aan de vrouw. De ziekte van de vrouw verloopt progressief. Na een half jaar verzoekt zij nogmaals te kunnen werken in een rolstoel. Zij ziet hier allerlei mogelijkheden voor zonder verdere ingrijpende aanpassingen, maar wordt meteen afgekapt door haar direct leidinggevende die abrupt “nee” zegt. Als resultaat vraagt de vrouw haar ontslag aan. De Commissie oordeelt dat de werkgever niet heeft voldaan aan zijn verplichting te onderzoeken welke aanpassingen nodig en mogelijk waren. Er worden aan de vrouw wel alternatieve functies aangeboden, maar dit geldt volgens de wet niet als doeltreffende aanpassing: doeltreffende aanpassingen dienen op de eigen functie gericht te zijn. Verboden onderscheid.