Een man werkte sinds 2001 voor de afdeling Post, Kantoorartikelen en Repro van een consultancy bureau. Zijn werk bestond uit het verzorgen van de post. De man heeft meermaals bij zijn leidinggevende aangegeven dat hij graag, net als zijn (autochtone) collega’s, afdelingsbreed of op andere onderdelen van de afdeling ingezet wilde worden. Naar zijn mening werd alleen hij niet afdelingsbreed ingezet. De redenen daarvoor waren volgens de man onder andere gelegen in de volgens zijn werkgever gebrekkige beheersing van het Nederlands en zijn islamitische geloofsovertuiging. Ook kwam hij niet in aanmerking voor een permanente functie op een ander, door hem geprefereerd, onderdeel. Daarnaast meent de man dat hij is achtergesteld ten opzichte van zijn autochtone collega’s bij de beoordeling van zijn werk, het volgen van opleidingen en de beloning. Het consultancy bureau heeft de stellingen van de man evenwel gemotiveerd weerlegd dan wel in een ander daglicht geplaatst. De Commissie oordeelt dat de man geen feiten naar voren heeft gebracht die kunnen doen vermoeden dat zijn afkomst en zijn godsdienst een rol hebben gespeeld.