Een man is met zijn mannelijke partner in de Verenigde Staten van Amerika (VS) gaan wonen, nadat zijn partner daar een positie als ambtenaar had aanvaard bij een onderdeel van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken. De Minister van Economische Zaken heeft ten onrechte laten weten dat de man in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning waarmee ook een werkvergunning voor de VS kan worden aangevraagd. De man is van mening dat zowel de Minister van Economische Zaken als de Minister van Buitenlandse Zaken onvoldoende hebben gedaan om alsnog een visum met werkvergunning te regelen dan wel hem te compenseren voor de onjuiste toezegging omtrent het visum. Het gaat hier om overheidshandelen dat buiten de reikwijdte van de gelijkebehandelingswetgeving valt. De Commissie is daarom niet bevoegd om hierover te oordelen. De man klaagt daarnaast over onderscheid bij de afwijzing voor functies bij beide ministeries, over het feit dat hij voor beide ministeries werkzaamheden heeft verricht, maar niet op basis van een arbeidsovereenkomst, en over onderscheid bij de bejegening. Ten aanzien van al deze klachten is niet gebleken dat sprake is geweest van onderscheid op grond van seksuele gerichtheid.