Een man van Surinaams-Javaanse afkomst solliciteert bij een bouwonderneming. Na vijf gesprekken en een assessment wordt de man afgewezen. In het assessmentrapport wordt onder meer geopperd dat mogelijk sprake is van een "cultuurverschil". De man meent dat uit het rapport blijkt dat de assessoren zich bij hun beoordeling van zijn geschiktheid hebben laten beïnvloeden door cultuurgerelateerde vooroordelen over allochtonen, meer in het bijzonder over Surinamers.
Het assessmentbureau bestrijdt deze lezing en licht toe dat "cultuurverschil" in dit verband moet worden begrepen als een verwijzing naar een verschil in opvatting over hetgeen werkgevers van werknemers mogen verwachten.
De man meent dat ook zijn leeftijd een rol heeft gespeeld bij de afwijzing, aangezien in het assessmentrapport expliciet naar zijn leeftijd wordt verwezen in relatie tot de suggestie dat hij beter naar een andere functie kon zoeken.
De bouwonderneming wijst dat de afkomst en leeftijd van de man haar al duidelijk waren uit zijn brief en na het eerste gesprek. Als zij dat een probleem had gevonden had zij niet vijf gesprekken met hem gevoerd en een assessment laten afnemen.
De Commissie overweegt dat de bouwonderneming gemotiveerd de stellingen van de man heeft weerlegd en hij er niet in is geslaagd feiten naar voren te brengen die kunnen doen vermoeden dat zijn afkomst en of leeftijd een rol heeft gespeeld bij de afwijzing. De Commissie oordeelt daarom dat er geen feiten zijn die kunnen doen vermoeden dat de bouwonderneming jegens de man onderscheid heeft gemaakt op grond van ras en of leeftijd. Geen onderscheid.