Samenvatting
Een vrouw werkt in een kledingzaak op basis van een nulurencontract. Zij geeft aan uit geloofsovertuiging een hoofddoek te willen dragen. Het is in de kledingzaak algemeen bekend dat het dragen van een hoofddoek niet op prijs wordt gesteld. Om die reden veronderstelt verzoekster dat zij niet meer zal worden ingeroosterd en/of haar arbeidsovereenkomst zal worden beëindigd. Anticiperend op die veronderstelling heeft verzoekster uit eigen beweging haar arbeidsovereenkomst beëindigd. Nu de vrouw haar arbeidsovereenkomst heeft beëindigd alvorens de filiaalmanager van de kledingzaak aan de vraag toekwam de vrouw al dan niet toe te staan een hoofddoek te dragen op het werk, heeft de vrouw onvoldoende feiten aangevoerd die onderscheid op grond van godsdienst kunnen doen vermoeden.