Een man behoort tot de re-integratie doelgroep van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Omdat het geloof bij de man sterk doorwerkt, heeft het re-integratiebureau aan de gemeente voorgesteld dat de man in het kader van zijn re-integratietraject, naast het arbeidstrainingstraject, vrijwilligerswerk gaat doen bij de geloofsgemeenschap. De gemeente heeft geoordeeld dat deze werkzaamheden onvoldoende zijn gericht op arbeidsinschakeling en daarom niet passen binnen het re-integratietraject.
De man is van mening dat de gemeente aldus onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst.
De Commissie constateert dat de gemeente heeft geconcludeerd dat in dit geval de werkzaamheden bij de geloofsgemeenschap niet voldoende bijdrage aan het vergroten van het arbeidsperspectief en/of het realiseren van een (op termijn) duurzame plaatsing in een reguliere baan. De gemeente mag, als verantwoordelijk college in de zin van de WWB, tot op zekere hoogte zelf bepalen welke functies als re-integratieplaats kunnen worden aangemerkt. Niet is gebleken dat de godsdienst van verzoeker of het feit dat het gaat om een re-integratieplaats bij een geloofsgemeenschap een rol heeft gespeeld bij de afwijzing van het re-integratieverzoek. Geen vermoeden van onderscheid op grond van godsdienst.