Oordeel
2006-51
Dossiernummer: 2005-0505
op het verzoekschrift van 30 september 2005 van
Stichting Steunpunt Anti Discriminatie (STAD)
gevestigd te Utrecht, verzoekster
vertegenwoordigd door M. Palalic, klachtbehandelaar en
G. Grubben, beleidsmedewerker LBR
tegen
. . . .
gevestigd en kantoorhoudend te Amersfoort, verweerder
vertegenwoordigd door . . . .
gemachtigde: mr. W. Brussee, advocaat te Den Haag
1 Verzoek en verweer
1.1 Verzoekster heeft de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, verzocht om een oordeel over de vraag of verweerder onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst door het geven van een hand aan personen van het andere geslacht als voorwaarde te stellen voor toelating tot de opleiding voor Onderwijsassistent.
1.2 Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar zaak gebruik gemaakt van door een cliënt, hierna: mevrouw A, verstrekte informatie. Deze cliënt heeft ingevolge artikel 12, derde lid, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) toestemming verleend de informatie te gebruiken in het kader van deze procedure.
1.3 Verweerder heeft de stellingen van verzoekster gemotiveerd betwist bij brief, ontvangen bij de Commissie op 6 januari 2006. De gronden, waarop het verweer rust, komen voor zover relevant voor de beoordeling van het verzoek in de rubriek "beoordeling" aan de orde.
2 Procesverloop
2.1 De Commissie heeft kennis genomen van het verzoek en het verweer en de overige door partijen ingezonden stukken.
2.2 De Commissie heeft op 30 januari 2006 een zitting gehouden waarbij partijen hun standpunten mondeling hebben toegelicht. Verzoekster heeft een pleitnota overgelegd. Verzoekster heeft haar cliënt, die de onderhavige klacht bij haar had ingediend, als informant meegebracht.
3 Feiten
Bij de beoordeling van het verzoek is de Commissie uitgegaan van de volgende feiten.
3.1 Mevrouw A heeft de islamitische geloofsovertuiging. Een van de godsdienstige voorschriften die mevrouw A naleeft is het vermijden van fysiek contact met personen van het andere geslacht, in dit geval mannen, ouder dan twaalf jaar. Dit wordt in het dagelijks leven vooral zichtbaar bij de weigering mannen een hand te geven.
3.2 In juni 2005 heeft mevrouw A zich bij verweerder, een school voor beroepsonderwijs, aangemeld voor de opleiding Onderwijsassistent. In het kader van haar aanmelding heeft een intakegesprek plaatsgevonden. Mevrouw A heeft in dat gesprek verteld dat zij mannen vanwege haar geloofsovertuiging geen hand geeft.
3.3 Mevrouw A is uitgenodigd voor een vervolggesprek op 22 juni 2005 met de opleidingsmanager. Tijdens dit gesprek heeft mevrouw A nog eens verklaard dat zij fysiek contact met personen van het andere geslacht vermijdt hetgeen inhoudt dat zij hun ook geen hand geeft.
3.4 Bij brief van 14 juli 2005 heeft verweerder mevrouw A te kennen gegeven dat zij tot de opleiding zou kunnen worden toegelaten, indien zij bereid is om mannen een hand te geven als dat in bepaalde situaties nodig is. Verweerder heeft deze beslissing uitgebreid toegelicht.
4 Beoordeling van het verzoek
Ontvankelijkheid van verzoekster
4.1 Artikel 12, tweede lid, aanhef en onderdeel e, AWGB bepaalt onder meer dat een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of een stichting, die in overeenstemming met haar statuten de belangen behartigt van diegenen in wier bescherming deze wet voorziet, een verzoek om een oordeel kan indienen.
4.2 Blijkens de statuten van verzoekster is het doel van de stichting het bestrijden en voorkomen van discriminatie in de brede zin van het woord, in het bijzonder discriminatie naar ras, seksuele gerichtheid en geslacht. Dit doel streeft verzoekster onder meer na door middel van hulpverlening aan personen die slachtoffer zijn geworden van discriminatie. Verzoekster is bevoegd gerechtelijke procedures te voeren.
4.3 De Commissie concludeert op basis hiervan dat verzoekster een zelfstandig recht heeft om de Commissie om een oordeel te verzoeken en dat haar verzoek derhalve ontvankelijk is.
Rechtsvraag
4.4 In geding is of verweerder onderscheid maakt naar godsdienst op grond van artikel 1 in samenhang met artikel 7 AWGB door als voorwaarde te stellen voor de toelating tot de opleiding van Onderwijsassistent dat de kandidaat personen van het andere geslacht begroet door het geven van een hand.
Juridisch kader
4.5 Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, AWGB bepaalt dat het maken van onderscheid is verboden bij het aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake door, onder andere, instellingen die werkzaam zijn op het gebied van onderwijs. Dit verbod ziet, ingevolge artikel 1 AWGB, onder meer op onderscheid op grond van godsdienst.
4.6 Het begrip godsdienst dient overeenkomstig het door de Grondwet en internationale mensenrechtenverdragen gewaarborgde recht op vrijheid van godsdienst ruim te worden uitgelegd en omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het zich er naar kunnen gedragen (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 5, p. 39-40, vergelijk Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 29). Dit laatste aspect van de godsdienstvrijheid, ook wel aangeduid met handelingsvrijheid, beoogt betrokkenen onder meer in staat te stellen om hun leven volgens godsdienstige voorschriften en regels in te richten en hier ook anderszins gestalte aan te geven in de leefsituatie en omgeving (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 3).
Hieruit volgt dat de AWGB tevens gedragingen beschermt die, mede gelet op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienstige overtuiging.
4.7 De Commissie heeft eerder geoordeeld dat het niet geven van een hand in het openbaar aan een persoon van het andere geslacht een gedraging is waarmee iemand gestalte kan geven aan zijn of haar islamitische geloofsovertuiging en een gedraging is die valt onder het begrip godsdienst, zoals beschermd door de AWGB (zie onder meer: CGB 28 augustus 1998, oordeel 1998-94 en 1998-95 en CGB 5 maart 2002, oordeel 2002-22).
Vrijheid van inrichting"
4.8 Verweerder heeft primair aangevoerd dat hij niet aan de AWGB gebonden is gezien de in artikel 23 Grondwet verankerde vrijheid van onderwijs, inhoudende vrijheid van oprichting, vrijheid van inrichting en vrijheid van richting. De vrijheid van inrichting houdt volgens verweerder de bevoegdheid in om naar eigen inzicht de inhoud en organisatie van de onderwijsinstelling in te richten. Dit betekent volgens verweerder dat hij een grondwettelijk recht heeft om regels te stellen omtrent fatsoensnormen en omgangsvormen. In dat kader kan verweerder eisen dat leerlingen, in situaties waarin het fatsoen dat verlangt, zonder aanziens des persoons handen schudden en heeft verweerder het recht om leerlingen die dat weigeren, niet tot de opleiding toe te laten. Verweerder is voorts van mening dat, aangezien de Grondwet van hoger orde is dan de AWGB, de vrijheid van richting prevaleert boven de AWGB.
4.9 De Commissie kan verweerder in zijn betoog niet volgen. In de eerste plaats zijn wetten onschendbaar, hetgeen toetsing van de AWGB aan de Grondwet verhindert. In de tweede plaats vormt de AWGB een uitwerking van de Grondwet. Juist vanwege de in artikel 23 Grondwet verankerde vrijheid van onderwijs is in artikel 7, tweede lid, AWGB een uitzondering opgenomen op de gelijkebehandelingsnorm. Deze uitzondering op de gelijkebehandelingsnorm houdt in, dat instellingen van bijzonder onderwijs met een godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag eisen kunnen stellen ten aanzien van de deelname aan het onderwijs, die gelet op het doel van de instelling nodig zijn voor de verwezenlijking van de identiteit van de instelling (zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 17 en 22, en Kamerstukken I 1992/93, 22 014, nr. 212c, p. 11-12).
Nu verweerder heeft aangegeven zich niet op de in het tweede lid genoemde uitzondering te willen beroepen, kan beoordeling of daarvan sprake is achterwege blijven.
Direct of indirect onderscheid"
4.10 Onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid waarbij rechtstreeks wordt verwezen naar één van de door de AWGB beschermde discriminatiegronden, waaronder godsdienst. Elk direct onderscheid is ingevolge de AWGB verboden, tenzij er in de wet een specifieke uitzondering is opgenomen. Verweerder heeft niet rechtstreeks verwezen naar de geloofsovertuiging of de uiting daarvan van mevrouw A. Van direct onderscheid is dan ook geen sprake.
4.11 Vervolgens ligt de vraag voor of sprake is van indirect onderscheid. Er zijn mensen die vanwege hun geloof geen hand willen geven aan personen van het andere geslacht. Zij kunnen derhalve niet aan de door verweerder gestelde toelatingseis voldoen, tenzij zij in strijd handelen met hun geloofsovertuiging. Mensen zonder of met een andersoortige of anders beleefde geloofsovertuiging ondervinden geen hinder van deze toelatingseis, althans niet vanwege hun overtuigingen. Voor zover mensen zonder, of met een andere overtuiging toch belemmeringen ondervinden door de toelatingseis, is dat niet vanwege hun geloofsovertuiging. De eis dat leerlingen bereid moeten zijn om in voorkomende gevallen iedereen een hand te geven, treft derhalve hoofdzakelijk mensen met een bepaalde godsdienstige overtuiging, zoals mevrouw A. De gelijkebehandelingswetgeving is er op gericht te bewerkstelligen dat mensen, ondanks hun verschillende (geloofs)overtuigingen, zoveel mogelijk gelijk worden behandeld, en zo min mogelijk uitgesloten worden vanwege hun overtuigingen. Door het stellen van een toelatingseis die in het bijzonder de aanhangers van een bepaalde geloofsovertuiging raakt, maakt verweerder derhalve indirect onderscheid naar godsdienst.
Objectieve rechtvaardiging
4.12 Ingevolge de gelijkebehandelingswetgeving kan het maken van indirect onderscheid onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn. In dat geval dient de partij die onderscheid heeft gemaakt feiten aan te dragen ter rechtvaardiging hiervan. Of in een concreet geval sprake is van een objectieve rechtvaardiging moet worden nagegaan aan de hand van een beoordeling van het doel van het onderscheid en het middel dat ter bereiking van dit doel is ingezet. Het doel dient legitiem te zijn, in de zin van voldoende zwaarwegend dan wel te beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Een legitiem doel vereist voorts dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk. Het middel dat wordt gehanteerd moet passend en noodzakelijk zijn. Een middel is passend indien het geschikt is om het doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is, en het middel in een evenredige verhouding staat tot het doel. Pas als aan al deze voorwaarden is voldaan levert het indirecte onderscheid geen strijd op met de gelijkebehandelingswetgeving.
4.13 Verweerder heeft aangegeven dat de toelatingseis - kort samengevat - de volgende doelen heeft:
- Het creëren dan wel handhaven van eenduidigheid van fatsoensnormen en omgangsvormen en het ontwikkelen van de competentie burgerschap.
- Het naleven van de verplichtingen uit de Wet Educatie Beroepsonderwijs (WEB).
- Bescherming van het uitgangspunt van gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen.
De Commissie constateert dat deze doelen zwaarwegend zijn. Er is geen sprake van een discriminerend oogmerk in de zin dat het toelatingscriterium op discriminerende wijze is geformuleerd of wordt toegepast. Deze doelen zijn daarom legitiem.
4.14 Vervolgens moet worden beoordeeld of het middel, de voorwaarde dat leerlingen in voorkomende gevallen een hand geven aan personen van het andere geslacht, passend en noodzakelijk is om de gestelde doelen te bereiken. De Commissie zal deze doelen een voor een nalopen en beoordelen of aan het vereiste van passendheid en noodzakelijkheid is voldaan.
4.15 Het eerste door verweerder aangevoerde doel ziet op het creëren van eenduidige omgangsvormen en het ontwikkelen van de competentie burgerschap. Verweerder heeft in dit verband aangevoerd een grote onderwijsinstelling te zijn, die te maken heeft met een grote verscheidenheid aan medewerkers en deelnemers voor wat betreft culturele achtergrond, etniciteit en geloofsovertuiging. Verweerder acht het vanuit pedagogisch oogpunt van belang dat er duidelijkheid bestaat over de onderlinge omgangsvormen. Verwarring daarover kan volgens verweerder leiden tot onnodige spanningen tussen deelnemers en/of medewerkers onderling. Een school is bij uitstek een omgeving waarbij cultuurgebonden afwijkende vormen van onderlinge bejegening gemakkelijk aanleiding kunnen zijn voor misverstanden. Het weigeren van een hand kan als beledigend worden ervaren, ook al is dit niet zo bedoeld. Het feit dat een begroeting per definitie cultuurgebonden is, doet hier volgens verweerder niet aan af. Verweerder heeft voorts aangegeven een algemeen christelijke onderwijsinstelling te zijn, met als missie de overdracht van normen en waarden. Verweerder rekent het tot zijn pedagogische taak om de gebruikelijke algemeen geaccepteerde fatsoens- en omgangsvormen in acht te nemen en over te dragen. Handen schudden is daar volgens verweerder een van. In verband daarmee wijst verweerder nog op een rapport van de onderwijsraad van september 2003 waarin eveneens de noodzaak van goed burgerschap wordt benadrukt.
4.16 De Commissie stelt vast dat verweerder zich bij het onderwijzen van normen en waarden richt op hetgeen gangbaar is onder de meerderheid van de bevolking in Nederland. Verweerder heeft aangevoerd dat het schudden van handen in Nederland een algemeen geaccepteerde sociale norm is. Dat moge zo zijn, maar de Commissie constateert dat hantering van deze norm leerlingen uit minderheidsgroepen, zoals mevrouw A, uitsluit. Uit hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht kan de Commissie niet afleiden dat verweerder zijn doel niet zou kunnen bereiken op een wijze waarop personen als mevrouw A niet zouden worden uitgesloten. Niet valt in te zien waarom fatsoenlijke omgangsvormen impliceren dat personen elkaar de hand schudden. De informant - mevrouw A - heeft ter zitting aangegeven dat zij personen van het andere geslacht begroet door een vriendelijke hoofdknik en desgewenst uitleg geeft over haar handelen. Niet valt in te zien waarom een dergelijke handelwijze in strijd met de geldende fatsoensnormen zou zijn. Zulks klemt temeer nu fatsoensnormen in de loop der jaren aan verandering onderhevig zijn en ook verschillen per leeftijdsgroep en cultuurgroep.
4.17 Verweerder heeft voorts aangevoerd dat er gelet op de grote diversiteit binnen de school duidelijkheid moet bestaan omtrent omgangsvormen. Dit argument overtuigt evenmin. De Commissie ziet niet in waarom een leerling die geen handen wil schudden dit niet zou kunnen uitleggen aan haar klasgenoten, zodat dit voor iedereen duidelijk is en verwarring wordt voorkomen.
4.18 Verweerder heeft voorts aangevoerd dat leerlingen opdrachten buiten de school uitvoeren en in het kader daarvan ook bezoeken brengen aan basisscholen. Verweerder stelt dat in die situatie het schudden van handen gebruikelijk is. Ten aanzien daarvan geldt eveneens dat, hoewel de geldende norm wellicht is dat personen elkaar de hand schudden, dit nog niet meebrengt dat iemand zich niet op een andere, beleefde en respectvolle manier zou kunnen voorstellen. Dat deze mogelijkheid reëel is, blijkt bovendien uit het feit dat de informant de opleiding tot onderwijsassistent thans bij een andere onderwijsinstelling volgt en daar geen problemen ondervindt. De Commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat het middel passend noch noodzakelijk is om de hier verwoorde doelstelling te bereiken.
4.19 Als tweede doelstelling heeft verweerder aangevoerd dat zij ingevolge de WEB de wettelijke plicht heeft om de educatie te richten op het maatschappelijk functioneren van de deelnemers op een wijze die aansluit bij de maatschappelijke behoeften en dat zij ingeval van beroepsonderwijs dient bij te dragen aan het maatschappelijk functioneren van de deelnemers. Bij de uitvoering van zijn taken moet verweerder zich in het bijzonder richten op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Rekening houdend met de maatschappelijke ontwikkelingen en de behoeften op de arbeidsmarkt heeft verweerder overwogen dat de wettelijke taakuitoefening met zich brengt dat hij niet kan accepteren dat een leerling weigert een hand te geven. Ingevolge deze wettelijke taak is verweerder bovendien verplicht om leerlingen een stageplaats te bieden. Verweerder verwacht daarbij problemen ten aanzien van een leerling die weigert handen te schudden.
4.20 De Commissie stelt onder verwijzing naar 4.16 vast dat het opleiden van leerlingen op een wijze die aansluit bij de maatschappelijke behoeften er niet noodzakelijkerwijs toe leidt dat zij handen schudden. Verweerder heeft aangegeven in dit verband niet specifiek te doelen op de opleiding tot onderwijsassistent maar op de opleidingen in het algemeen. Hoewel het voorstelbaar is dat er functies bestaan waarin het op zijn minst lastig is als de betrokkene weigert handen te schudden, is dat in het onderhavige geval niet gebleken. Niet aannemelijk is dat een onderwijsassistent zodanig veel contacten met ouders of leerkrachten heeft en dat het niet schudden van de hand daarbij een zo groot bezwaar is, dat het in redelijkheid niet zinvol zou zijn om zo iemand voor die functie op te leiden.
4.21 Voorts heeft verweerder gewezen op de aanzienlijke kans dat mensen die weigeren handen te schudden, problemen zullen ondervinden bij het vinden van een stageplaats en bij toetreding tot de arbeidsmarkt. De Commissie constateert dat verweerder door dit argument te gebruiken mogelijke discriminatie op de arbeidsmarkt overneemt in plaats van haar te bestrijden. Dit mag in beginsel dan ook geen reden zijn om iemand een opleidingsplaats te ontzeggen. Zulks zou slechts anders kunnen zijn, indien de godsdienstige uiting het feitelijk onmogelijk maakt om de functie, of wezenlijke onderdelen daarvan, uit te oefenen.
4.22 Ten slotte heeft verweerder aangevoerd dat de weigering om mannen een hand te geven in strijd is met het uitgangspunt van gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen. Met de eis dat bij gelegenheid ook mannen een hand krijgen, wil verweerder voorkomen dat anderen, zoals medestudenten en docenten, zich gediscrimineerd of beledigd voelen.
Eerder (CGB 5 maart 2002, oordeel 2002-22) heeft de Commissie overwogen dat de weigering om anderen dan leden van het eigen geslacht een hand te geven, kan worden opgevat als een ontkenning van de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen en dat een dergelijke weigering daarom niet wordt beschermd door de gelijkebehandelingswetgeving, ondanks het feit dat de weigering voortvloeit uit een bepaalde godsdienstige overtuiging. Dit oordeel verdient thans enige nuancering.
4.23 Verweerder voelt zich terecht verantwoordelijk voor het voorkomen van discriminatie. Verweerder heeft op grond van de gelijkebehandelingswetgeving immers de plicht om te zorgen voor een discriminatievrije werk- en leeromgeving. Het middel dat verweerder inzet om aan deze zorgplicht te voldoen, te weten de eis dat studenten bereid zijn om anderen bij gelegenheid een hand te geven, is ook geschikt voor het doel.
Wanneer mannen zowel als vrouwen een hand krijgen, kan niemand zich daarbij gepasseerd voelen op grond van zijn of haar geslacht.
4.24 Het middel is echter niet noodzakelijk, nu er ten minste één alternatief is dat zowel tegemoet komt aan de wens van studenten als mevrouw A om fysiek contact met mannen (of vrouwen) te vermijden, als aan verweerders zorgplicht terzake van een discriminatievrije werk- en leeromgeving. Verweerder kan immers volstaan met de eis dat zijn studenten (en medewerkers) geen onderscheid maken jegens elkaar op een van de door de wetgeving gelijke behandeling beschermde gronden. Voor mevrouw A betekent dit, dat van haar wordt verlangd dat zij iedereen begroet op een respectvolle wijze.
Verweerder is er niet in geslaagd aan te tonen dat het schudden van handen als zodanig een essentieel onderdeel van de opleiding vormt. Daarom kan de wens van studenten om dergelijk fysiek contact te vermijden geen reden zijn om hun de toegang tot een opleiding te weigeren. Dat kan anders liggen wanneer enigerlei vorm van fysiek contact onvermijdelijk zou zijn bij essentiële onderdelen van de opleiding.
4.25 De Commissie oordeelt dat het middel, de eis dat bij gelegenheid studenten bereid zijn om zonder aanziens des persoons handen te schudden, niet noodzakelijk is nu er ten minste één ander middel is om hetzelfde doel te bereiken, waarmee geen indirect onderscheid naar godsdienstige overtuiging wordt gemaakt.
4.26 Gelet op het voorgaande is de Commissie van oordeel dat verweerder door het geven van handen als voorwaarde te stellen voor toelating op de opleiding een niet objectief gerechtvaardigd indirect onderscheid op grond van godsdienst maakt en derhalve in strijd handelt met artikel 7 AWGB.
5 Oordeel
De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat . . . een verboden onderscheid maakt op grond van godsdienst.
Aldus gegeven te Utrecht op 27 maart 2006 door mr. A.G. Castermans, voorzitter, dr. M. de Blois en mr. M. van den Brink, leden van de Commissie Gelijke Behandeling, in tegenwoordigheid van mr. D. Jongsma, secretaris.
mr. A.G. Castermans
mr. D. Jongsma